Mijn VVH&P

DBI fondsen: overzicht nieuwe spelregels

Gepubliceerd op 14-08-2026 door Nick Verheyden

De fiscale regeling rond DBI fondsen is afgelopen jaar gewijzigd geweest op twee punten. Er is een afzonderlijke aanslag van 5% ingevoerd op verwezenlijkte meerwaarden, en de verrekening van de roerende voorheffing op de uitgekeerde dividenden wordt afhankelijk gemaakt van de minimumbezoldiging. We zetten de gevolgen hier graag uiteen.

1. Het DBI fonds als belegging
Een DBI-bevek is een beleggingsvennootschap die vennootschappen in staat stelt overtollige liquiditeiten te beleggen. Het fonds is verplicht het grootste deel (minstens 90%) van zijn netto-inkomsten jaarlijks als dividend uit te keren, waarop 30% roerende voorheffing wordt ingehouden.

Het brutodividend kon via de DBI-aftrek worden vrijgesteld ten belope van de DBI-coëfficiënt die het fonds jaarlijks attesteert, in de praktijk doorgaans tussen 90% en 100%. De participatie- en permanentievoorwaarde die normaal voor de DBI-aftrek geldt, moet daarbij niet vervuld zijn: er is geen deelneming van 10% of € 2.500.000 vereist. De ingehouden roerende voorheffing vormt voor de vennootschap een niet-aftrekbare kost die als verworpen uitgave wordt verwerkt, maar is verrekenbaar met de vennootschapsbelasting en voor het niet-verrekende saldo terugbetaalbaar. Meerwaarden bij uitstap warren vrijgesteld.

2. Afzonderlijke aanslag van 5% op meerwaarden
Een van de nieuwigheden sinds aanslagjaar 2026, is dat er een afzonderlijke aanslag van 5% is ingevoerd voor meerwaarden die gerealiseerd worden in DBI Fondsen. Het deel van de meerwaarde dat niet wordt vrijgesteld wordt niet belast.

Het toepassingsgebied is ruimer dan de klassieke DBI-bevek en omvat onder meer ook bevaks, GVBF’s, gereglementeerde vastgoedvennootschappen en vergelijkbare buitenlandse beleggingsvennootschappen. De aanslag is bovendien verschuldigd ongeacht de aanwezigheid van fiscale aftrekken of overgedragen verliezen.

Deze nieuwe afzonderlijke aanslag zal echter in de praktijk zelden voorkomen, aangezien de heffing enkel meerwaarden treft. Bij een uitstap uit een DBI fonds koopt het fonds zijn eigen aandelen meestal opnieuw in en vernietigt ze die onmiddellijk. Fiscaal is dit dus geen meerwaarde, maar een inkoopboni, die als een dividend wordt behandeld en waarop de DBI-aftrek van toepassing blijft. De afzonderlijke aanslag van 5% is niet van toepassing op dergelijke inkoopboni.

De afzonderlijke aanslag is wel van toepassing als er een verkoop is aan een derde of indien een bestaande DBI belegging in het kader van een dividenduitkering wordt overgeboekt van de effectenportefeuille van de vennootschap naar die van de aandeelhouder bijvoorbeeld.

3. Verrekening van de roerende voorheffing en de minimumbezoldiging
De tweede maatregel heeft in de meeste dossiers de grootste impact. Bij de tweede maatregel zal de roerende voorheffing van 30% niet meer verrekenbaar en terugbetaalbaar zijn indien er geen minimumbezoldiging (op onze website kan u meer lezen over de recente wijzigingen van de minimumbezoldiging) wordt toegekend. Dit komt neer op een effectieve belastingdruk van 30% op de opbrengst uit het fonds. Dat is hoger dan het gewone tarief van de vennootschapsbelasting (25%).

Vooral voor grote vennootschappen is dit een nieuw aandachtspunt. Wie de minimumbezoldiging tot nu buiten beschouwing liet (omdat het verlaagd tarief toch niet van toepassing was), heeft er nu alsnog een financieel belang bij indien er aanzienlijke DBI fonds beleggingen zouden zijn.

4. Wat als de minimumbezoldiging niet wordt gehaald?
Een eerste mogelijkheid is de bezoldiging optrekken. Dat brengt echter bijkomende sociale bijdragen en personenbelasting mee, die het voordeel van de verrekening kunnen overtreffen. Bij een beperkte portefeuille is dit vaak geen oplossing.

Een tweede mogelijkheid volgt uit de tekst van artikel 282/1 WIB 92 zelf. De verrekening wordt enkel uitgesloten voor dividenden die daadwerkelijk van de winst worden afgetrokken. Wordt de DBI-aftrek niet toegepast, dan valt het dividend buiten die uitsluiting en blijft de roerende voorheffing verrekenbaar en terugbetaalbaar. Het brutodividend wordt dan wel belast tegen 20% of 25%, wat lager is dan een definitief verlies van 30% roerende voorheffing.

Voorbeeld: bij een brutodividend van € 10.000 wordt € 3.000 roerende voorheffing ingehouden. Wie de DBI-aftrek toepast zonder aan de bezoldigingsvoorwaarde te voldoen, verliest die € 3.000 definitief. Wie de DBI-aftrek niet toepast en het dividend laat belasten tegen 25%, betaalt € 2.500 vennootschapsbelasting en behoudt de verrekening van de volledige € 3.000. Aan het verlaagd tarief van 20% is het verschil nog groter.

 

V V H & P BV
Certified Tax accountants
BE0684.498.118

T: + 32 3 444 07 30
M: info@v-vhp.be

Vestigingen
Frans van Dunlaan 25
2610 Antwerpen (Wilrijk)

Starrenhoflaan 44/20
2950 Kapellen

Inspiratie in uw mailbox?

Shtick was here.